“Ik verafschuw het gelddenken”

Hij tilde de verzorgingsstaat van de grond, samen met de ministers Zijlstra, Mansholt en Klompé. Als minister van financiën in het derde kabinet-Drees hield prof. mr. H.J. Hofstra de hand op de knip. Toen het sociaal-democratische tijdperk voorbij was, stapte hij over naar het bedrijfsleven. Hij werd directeur bij scheepsbouwer Verolme en commissaris bij KLM. Hofstra besloot zijn carrière als hoogleraar belastingrecht in Leiden. Een socialist over de noodzaak van een zorgzame samenleving: “Je mag de achterblijvers niet in de steek laten.”

 

Het financiële beleid is de afgelopen decennia volkomen uit de hand gelopen. Het is vreemd dat vijftig jaar na de bevrijding nog allerhande regelingen bestaan die allang afgeschaft hadden moeten worden zoals de subsidies voor huur- en woningbouw. Politieke partijen moeten niets beloven als ze het geld er niet voor hebben. Het heeft ook te maken met een gebrek aan leiderschap. In het verleden hebben we grote staatslieden gekend. Nu zitten we opgescheept met enorme schulden en misbruik van voorzieningen door mensen voor wie al deze regelingen nooit bedoeld waren.

Professor mr. H.J. Hofstra stond als Kamerlid voor de Partij van de Arbeid en minister van financiën in het derde kabinet-Drees (1956-1958) aan de wieg van de verzorgingsstaat. Veertien jaar lang werkte hij aan de verwezenlijking van zijn idealen in een tijdperk waarin degelijk bestuur en sociale zorg nog hand in hand gingen.

De oorlog liep ten einde toen Henk Hofstra via een bridgevriend in contact kwam met Drees, de leider van de sociaal-democraten in de illegaliteit. Drees was na een kort verblijf in het kamp St. Michielsgestel druk bezig met de wereld na de oorlog. Er zou veel moeten gebeuren. “Herstel en vernieuwing’ werd de leus. Geld speelde een belangrijke rol èn belastingheffing. Op dit gebied beschikten de socialisten over onvoldoende deskundigheid. Dus werd Hofstra uitgenodigd voor de thee. Hij was dan geen partijlid, maar wel een uitgesproken progressieve denker.

“Het moet anders met die belastingen”, zei Drees tegen hem. “Wil jij dat voor me uitzoeken?”

Er waren enorme bedragen mee gemoeid. Meer dan de helft van het nationaal inkomen liep door de overheidskas. Hofstra ging aan de slag. Moest het brood extra worden belast of de hogere inkomens? Daar ging het om. Zijn lange nota’s aan Drees mondden uit in het boek Socialistische Belastingpolitiek waarin de roemruchte passage te lezen valt dat het socialisme de belastingheffing dienstbaar moest maken aan aantasting van het particuliere eigendom van produktiemiddelen. De belastingheffing worde openlijk en doelbewust, voor zover zulks mogelijk is, dienstbaar gemaakt aan de socialisatie.

Daarmee stak Hofstra – die inmiddels lid van de Wassenaarse SDAP-afdeling was geworden – zijn nek uit. Het was het begin van zijn politieke loopbaan in de Partij van de Arbeid. Hofstra maakte als minister niet alleen naam met zijn slagvaardigheid en drastische beperking van de bestedingen. De slanke gestalte met het onafscheidelijke sigarettenpijpje stond al gauw bekend als de best geklede politicus van het Binnenhof.

“De wereld was in de dagen voor de oorlog zó onrechtvaardig. Mijn grootmoeder kreeg drie gulden pensioen per week”, zei Hofstra. “De verzorgingsstaat mòest wel ontstaan.” Link