Een konijn voor $91 miljoen

Of Waarom gaan er zulke gigantische bedragen om in de kunstmarkt?

Als door de bliksem getroffen, zo voelde de legendarische kunstverzamelaar Peggy Guggenheim zich toen ze na twaalf jaar Venetië weer eens een bezoek bracht aan haar voormalige woonplaats New York. Tot haar verbijstering was in de Sydney Janis Gallery een tentoonstelling van Willem de Kooning bijna uitverkocht: 19 schilderijen, voor een totaalbedrag van 150.000 dollar. En het Metropolitan Museum was in haar ogen helemaal gek geworden: het had 30.000 dollar neergeteld voor een zeven jaar oud abstract druipschilderij van Jackson Pollock.

De New Yorkse kunstbeweging was dolgedraaid, schreef Guggenheim (1898-1979) in haar memoires. ‘Verzamelaars kochten alleen de duurste kunst, omdat ze nergens anders op durfden te vertrouwen. Sommigen kopen alleen om te investeren, plaatsen schilderijen in de opslag zonder er zelfs maar naar te kijken, en bellen elke dag naar hun galerie voor de nieuwste prijsopgave, alsof het aandelen zijn die ze willen verkopen.’

Het is een citaat uit 1959, dat wonderwel past op de huidige kunstmarkt. Het zal de reden zijn waarom de Amerikaanse schrijver Michel Shnayerson (1954) zijn geschiedschrijving van de naoorlogse Amerikaanse kunstmarkt met Peggy Guggenheim begint. De Amerikaanse leidde tot 1947 een galerie in New York. Na haar vertrek verhuisden haar kunstenaars – Barnett Newman, Mark Rothko, Clyfford Still én Jackson Pollock – naar de galerie van Betty Parssons. Hedendaagse kunst was in het naoorlogse Amerika nog iets voor een select groepje liefhebbers. Zelfs voor 150 dollar wist Parssons in 1947 de schilderijen van Pollock niet te slijten. Link

Scroll to Top