Essay

WvW

WvW

Ik schets mijn idee van ‘onze wereld’, waarmee ik alles bedoel wat wij zien en dat deel waarover wij alleen maar vermoedens kunnen hebben, waarover we alleen maar kunnen speculeren. Om een duidelijk uitgangspunt te hebben worden er twee hoofdcategorieën onderscheiden, namelijk:

  1. fysiek en
  2. niet-fysiek c.q. spiritueel / mystiek.

Waarbij – 1. – fysiek weer bestaat uit

1a. grijpbaar – b.v. aarde – en

1b. ongrijpbaar – b.v. licht -.

De fysieke wereld is gebaseerd op materie en energie, die volledig uitwisselbaar zijn. De niet-fysieke wereld is gebaseerd op gedachten, kennis en is duidelijk aanwezig in bijvoorbeeld ons bewust zijn. Dat wil niet zeggen dat we er bewust, planmatig, met opzet, zijn. Om dat – bewust-zijn te concretiseren hebben wij – zo nu en dan – de fysieke wereld nodig, als uitvoerder, verwerker van – bestaande – gedachten.

Kernachtig onder woorden gebracht door F. Hemsterhuis -1867 -: om ideeën te hebben, om te denken, om te handelen heeft de ziel organen.

Deze niet-fysieke, spirituele wereld heeft altijd, zolang we kunnen spreken, een naam gehad: denk aan Zeus, Jahweh, God, Ra, Allah …

Over de fysieke wereld komen we heel langzaam meer te weten; we staan nog maar aan het begin. Zo weten we – nog niet zo lang – zeker dat we deel uitmaken van een – ‘ons’ zonnestelsel, wat weer deel uitmaakt van een stelsel – ‘onze’ melkweg met ongeveer 200 miljard sterren -, wat weer een deel uitmaakt van een – ‘ons’ universum.

Van een stelsel als ‘onze’ melkweg zijn er miljarden en hoogstwaarschijnlijk zijn er vele universa, die uiteindelijk deel uitmaken van ik het ‘heelal’ noem, wat alles, maar dan ook alles beslaat.

We weten eigenlijk nog maar heel weinig over onszelf en onze aarde. De geschiedenis beslaat alleen de tijd van wat er – nog – op schrift staat: een paar duizend jaar. Onze kennis van wat er daarvoor is gebeurd berust voornamelijk op  speculatie. De leeftijd van de aarde wordt geschat op minstens 10 duizend maal 100 duizend jaar – 4,5 miljard jaar; het – ‘ons’ universum op 12,5 miljard -.

In dat fysieke heelal ‘drijft’ de niet-fysieke wereld van gedachten en ideeën: het niet-bewust-zijn, dat geen begin had en geen eind heeft; denk ik. Net zoals in onze fysieke wereld gedachten ‘drijven’ of ons als een nevel omvatten. Ze ontstaan als gevolg van de verbinding van de fysieke met de niet-fysieke wereld, maar ze kunnen daarna volledig losstaan van die oorsprong. Zo lang we er zijn maken ze, daar zijn we ons van bewust, een deel van ons uit. Zijn we er niet meer als individu dan maken ze daarna deel uit van het collectieve niet-fysieke, niet-bewuste.

Dat is waar meditatie op gericht is of toe leidt. Dat is niet een super bewust zijn, zoals vaak gesteld, maar een ‘totaal’ onbewust zijn: men komt los van het individuele bewust zijn, los van individuele gedachten; men is – even – in het nirwana, de totaal onbewuste wereld.

Die collectieve niet-fysieke wereld wordt gevoed door die verbinding: de collectieve gedachten – kennis – neemt toe. Dat is overigens niet de reden dat we er zijn; er is geen plan. Dat is een toeval, waar de niet-fysieke wereld gebruik van maakt.

De mens komt daarin voor zoals alles, net zo ‘natuurlijk’ als planten en dieren, net zo kwetsbaar en net zo min goed of slecht. Pas de door onszelf gestelde regels markeren (kennis van, of het onderkennen van) goed en kwaad. Ons bewust zijn is de oorsprong van goed en kwaad. Bewust van het feit dat handelingen nadelig kunnen zijn voor anderen – en voor onzelf – heeft ons er toe gebracht ons te onderwerpen aan geschreven en ongeschreven regels, die het onderscheid tussen goed en kwaad markeren. Deze opgelegde regels of beperkingen vormen het meest wezenlijke deel van ons – mens-zijn.

 

Zin en zingeving – betekenis

Een onderscheidende factor bij de mens is dat die zich bewust is van een – schijn – wereld. Of die wereld schijn is of reëel is in wezen onbelangrijk. De realiteit is het weten, maar ons weten is gebaseerd op vermoedens, op speculatie. Het blijft een schijn werkelijkheid, waarvan alleen brokstukjes tot een kennisgebied behoren. De context is onkenbaar voor ons.

Maar de wereld doet zich hoe dan ook aan de mens voor. En dat heeft consequenties, waaronder de onvermijdelijk vraag naar een zin, een doel, een plan. Ik denk dat die algemene vraag naar de zin, zinloos is.

Alleen zingeving is zinvol en tijdgebonden. De zin kan alleen gegeven worden door de vraagsteller, sterker de zin moet door de vraagsteller zelf gegeven worden, die daarbij kan putten uit vele bronnen van vele denkers. Zingeving kan, en ik denk moet, daarbij losstaan van – een – geloof. Sterker een geloof is een sta in de weg. Gericht op het directieve oneindige, gebaseerd op het bedachte, op dat wat er niet is. Maar wat zou kunnen zijn of komen.

Bronnen van het geloof zijn primitief, in die zin dat de sterke wens naar een zin, vorm kreeg in ongeloofwaardige, niet te toetsen, maar wel te bestrijden verhalen. Dat zoveel mensen hier veel waarde aan hechten zegt iets over de drang naar het oneindige of in ieder geval naar het mede bouwen aan iets. De gedachte aan zinloosheid is blijkbaar te verschrikkelijk om te aanvaarden. Alles beter, alle verzonnen verhalen zijn beter dan dat.

De basis van de zin ligt direct in het bestaan, in ons bewust zijn. Het behoeft alleen nog maar uitwerking: we moeten het definiëren in praktische termen. Richting geven aan het, aan ons bestaan.

Zingeving moet bezien worden in het beperkte kader van in- en externe factoren. Externe factoren zijn buiten ons bereik van bewuste sturing. Menselijk factoren die toch bewust danwel onbewust inwerken op die externe factoren leiden niet grotere contrôle, maar tot grotere onzekerheid.

Zingeving ligt op het vlak van interne factoren. De mens is de maat voor zingeving. Zin geven is puur cerebraal, de – opgeslagen – informatie en de daaruit te trekken conclusies zijn bepalend voor de richting.

In het algemeen zullen die bestaan uit

  1. eigenbelang, in de zin van overleven, de wil tot bestaan,
  2. uit mededogen, medeleven met al het andere en
  3. uit zelfbeperking.

Los van eigenbelang heeft de mens het vermogen zich in te kunnen leven in andermans leven en dat niet te gebruiken uit eigenbelang.

 

Heelal

Eliptisch, omcirkeld, omcirkelend, in een waaier van een stelsel, bij elkaar geveegd gruis. Gruis van elementaire deeltjes – waterstof en helium – uit een zeer ver, zeer ver verleden. Deeltjes: materie en dan weer energie en omgekeerd, nooit ontstaan, nooit vergaan.

De onbegrijpelijke realiteit. De miljarden stelsels binnen een universum en de mogelijk miljarden daar weer van, het uiteindelijke HEELAL. Niet te modelleren. Onwezenlijk omvangrijk. Geweldige, gewelddadige processen in omvang alles overtreffend, voor altijd onderschat. Hersens, die dit kunnen bedenken, maar niet indenken. Niet de context kunnen begrijpen.

Grillige patronen, gedeeltelijk te vatten in mathematische taal. Geen begin, geen eind. Zoals water geen begin heeft en geen eind, maar alleen een verscheidenheid van vormen en voorkomen is in een continu veranderend patroon.

Een cirkel als deel van een verscheidenheid aan cirkels als onderdeel van perpetuum; geen oorsprong, geen creatie, maar bestendigheid. Creatie in die bestendigheid, in het geheel van alle universa: het heelal.

Het geheel van ontwikkeling van vormen, totaal onverschillig in tijd; soms in een flits, soms in een tijdsbestek van miljarden, miljarden jaren. Voorspelbaar gedrag binnen gestelde wetten en mogelijk, waarschijnlijk weer onvoorspelbaar daarbuiten.

Razend door de ‘tijd’, ontmoetingen hier en daar. Hier samensmeltend, daar afstotend, zonder doel dan bestaan. Zonder doel dan bewegen. Het doel is een alleen anker voor de angst van doelloosheid, het gevreesde verlies in de complexe abstracte collectiviteit.

Het doel is gevat in woorden, begrijpelijk en onbegrijpelijk, om de kunstmatigheid te verhullen van een doel binnen de doelloosheid. Malend, altijd, door het onbegrensde, soms binnen het domein van wetten en dan weer daarbuiten, waar wetmatigheid ontbreekt. Bestendig chaotisch, doelloos creërend en vernietigend.

Hoe waarheid een product werd

In de premoderne tijd bood Waarheid hoop op verlossing in een hiernamaals. In de moderne tijd bracht Waarheid hoop op een betere wereld voor ons nageslacht. In de postmoderne tijd bevrijdde waarheid ons van valse autoriteiten en pretentieuze ideologieën. Maar wat beoogt ónze waarheid nog, behalve dan het eindeloos bevredigen van onze behoeften? Een essay.Link

Was Heidegger bijziend?

Essay

Wordt ons zicht op de werkelijkheid steeds beperkter door de vele ‘kennisbrillen’ die wij volgens Heidegger in de loop van de tijd, – al dan niet bewust – opzetten? Integendeel: het beeld van de werkelijkheid wordt steeds transparanter doordat we, juist door die ‘brillen’ steeds een scherper beeld krijgen.

Heidegger veronderstelde mijns inziens, dat de mens het zicht op de werkelijkheid steeds meer wordt ontnomen door de lagen kennis die de mensheid in de loop van de tijd opbouwt; vermeerdering van kennis leidt in de ogen van Heidegger af van de oorsprong van de mens, van het oer-gevoel. Door de vele kennis die we vergaren dragen we in de ogen van Heidegger inherent, steeds meer  ‘brillen’. ‘Brillen’ die ons het zicht op de werkelijkheid, op de oorsprong, op de authenticiteit, ontnemen. Die ‘brillen’ die wij in de loop van de tijd -laten- opzetten leiden ons in de ogen van Heidegger steeds  verder af van de werkelijkheid, van het oerbeeld. Het beeld dat wij daarvan hebben wordt volgens hem dan ook steeds troebeler; het zicht op die werkelijkheid wordt steeds meer gefilterd en gekleurd door al die lagen ‘glas’. Het oorspronkelijke gevoel, het oer-gevoel, wordt in deze visie, door de toename van kennis, ook steeds meer geobjectiveerd: een beeld, een foto bijvoorbeeld bestaat objectief immers uit -meetbare- ‘pixels’ en niet, of veel minder uit emotie; dit is niet meetbaar, maar puur subjectief. Emotie die een beeld bij ons op zou kunnen roepen verdwijnt dus gaandeweg en daarmee verdwijnt het oorspronkelijke, het oer-gevoel in de ogen van Heidegger.

De fascinatie van Heidegger voor het nazisme vindt wellicht hierin z’n oorsprong. De nazi’s schiepen voor zichzelf een beeld van de oermens; dit was in hun ogen natuurlijk een Germaan. Een beeld van de edele, authentieke, zelfbewuste, niet aan zijn bestemming twijfelende, harde mens. In de ogen van de nazi’s was de mens, die van oorsprong goed was, edel was, en belangeloos handelde, door -vreemde- smetten van buitenaf  steeds verder van die bestemming verwijderd; sterker nog, dat was een bewust doel van ‘untermenschen’. Het voor ons onwezenlijk verschrikkelijke en onmenselijke gevolg van deze ideeën is ieder, naar ik hoop, welbekend. Het is merkwaardig dat een man als Heidegger, een intellectueel, de nazi’s als serieus voorbeeld zag voor een toekomstige, ideale samenleving. De nazi’s die juist alle intellectualiteit in de samenleving wilden vernietigen. Dit geeft naar mijn idee ook in het algemeen weer, hoe op zich intelligente mensen weerzinwekkende ideeën kunnen ventileren en die ook nog tot het laatst toe, en tegen beter weten in, verdedigen.

Volgens Heidegger kon je niet ontsnappen aan ‘de tijd’, je was er inherent een deel van en je maakte keuzes die in het verlengde van de tijdgeest lagen.

Hierin verschilt Gadamer wezenlijk van Heidegger. Gadamer, waar Heidegger grote invloed op heeft gehad, is hier veel minder rigide in. Hij hield zich dan ook afzijdig van het nazisme. Bij Gadamer zit je niet gevangen in je -tijdelijke- situatie -en taal-, maar zal de horizon inherent juist steeds veranderen; daarin is geen voltooiing en er nooit een absoluut moment zal zijn.

Ik heb tot nu toe kennis genomen van een heel klein gedeelte van alles wat Heidegger heeft overdacht, bedacht en geschreven. Maar dit element, volgens Heidegger ons gekleurde zicht op de werkelijkheid, is mijns inziens een wezenlijk en frappant onderdeel van zijn filosofie. Wezenlijk omdat het Heidegger tot zeer gevaarlijke politieke keuzes bracht en frappant omdat een kritische blik hem al snel op andere ideeën had kunnen brengen. Hij heeft hoogstwaarschijnlijk bewust gekozen voor een enge blik in een enge esoterische kring, waaraan voor hem geen ontsnappen mogelijk was. Heidegger doet mij vaak denken aan Wagner: bombastisch met geniale invallen.

Heidegger was, daar ga ik van uit, zeer belezen en heeft dus ook onze Europese ontwikkeling kunnen volgen, kunnen zien, die loopt vanaf het geloof in goden -als een cruciaal onderdeel in het leven van alledag-, via Kant die aanzette tot een onafhankelijke kritische blik, tot uiteindelijk de meer objectieve -verifieerbare- verklaringen voor het ‘gedrag’ van alles wat ons omringd. Dit laatste vooral door de ontwikkelingen in de natuurwetenschap, die zeker in die tijd enorm waren en men daardoor al snel het idee kreeg dat er weinig meer te ontdekken viel.

Mogelijk dat Heidegger hierin juist bedreigingen zag? In de verlichting? Die de mensheid een kritische blik bracht en die een plooibaar leven in het vooruitzicht stelde; die de verantwoordelijkheid bij de mens zelf legde en die de aanvaarding van het leven als pure lotsbestemming achter zich liet. In de evolutie theorie? Die een logische verklaring gaf voor de ontwikkeling van het leven en waarin goden geheel geen rol spelen? Zag Heidegger hier grote gevaren voor de mensheid? Dat we het heft in eigen handen kunnen nemen en het leven uiteindelijk kunnen vormen naar eigen beeld? Dat deze ideeën, zouden kunnen leiden tot onverwachte, mogelijk vreselijke gevolgen? Tot bijvoorbeeld productiematige uitroeiing van mensen? Ik denk het niet, want dan zou Heidegger zich juist tegen het nazisme hebben gekeerd. Heidegger was mijns inziens in wezen meer een romanticus dan een kritische geest, die zijn gevoel en verlangen naar een ideale oerstaat liet prevaleren boven wat z’n verstand hem aan objectieve inzichten gaf of had kunnen geven. Heidegger had een zeer rigide kijk op het leven; dat -geworpen- leven wordt ons opgedwongen en daaruit is geen ontsnapping mogelijk.

Want waar Heidegger een gevaar zag, het afdwalen van de oorsprong door de vermeerdering van kennis kan toch snel en eenvoudig vastgesteld worden dat juist kennis -de ‘brillen’- ons steeds meer zicht geven -en hebben gegeven- op de ons omringende wereld in de ruimste betekenis. Hierna volgen enkele voorbeelden om dit te illustreren.

Denk aan de Grieken die al aannamen dat er ondeelbaar kleine deeltjes, atomen, waren waaruit alle stof bestond. Zij hadden al veel kennisbrillen opgezet. Kennis die in de loop van de tijd in de vergetelheid raakte. Waren de Grieken verderaf van de oorsprong dan wat men in de Middeleeuwen bij de Europeanen aan kennis had over de natuur; waar men juist door toedoen van de ‘kerk’ alle kennisbrillen had afgezet? Integendeel.

Hetzelfde geldt voor de Arabische en de Chinese culturen, waar bloeiende culturen werden afgewisseld met aftakeling, juist door verlies van kennis.

En we hoeven bijvoorbeeld alleen maar te denken aan Antonie van Leeuwenhoek, die als eerste in de geschiedenis minuscuul kleine ‘diertjes’ zag door zijn zelf geslepen lenzen. Bracht die kennis ons verder van de bron, van de oorsprong? Hield die ‘bril’ kennis over de werkelijkheid tegen? Integendeel.

En een in mijn ogen sprekend voorbeeld is de kennis over de kosmos. Onze kennis hierover is met de komst van de grote telescopen en satellieten enorm toegenomen. Wij weten lang, lang nog niet alles, maar al veel meer dan wat we daarvoor wisten en we weten zeker veel meer dan het beeld dat men had in de middeleeuwen van de kosmos; toentertijd met de aarde als middelpunt. Heeft deze kennis ons verder van de oorsprong gebracht? Integendeel.

WT

Is ethiek inherent aan de mens?

Essay

De mens is van oorsprong noch geneigd tot het goede, noch tot het kwade. Autonome ethiek en inherent moraal zijn gebaseerd op waardeoordelen, die door de mens zelf ontwikkeld, geformuleerd en geformaliseerd zijn.

De fysieke wereld waaruit en waarin we zijn ontstaan bevat geen ethische elementen. Het ‘heelal’ – alles omvattend – is het domein van, mogelijk oneindig veel, universa met, per universum weer miljarden sterrenstelsels, met daarin weer miljarden sterren waaronder ‘onze’ ster, de zon. In één van die universa en in één van die miljarden stelsels, leven wij; in één van de armen van het -door ons zo genoemde en voor ons al niet voor te stellen grote- melkwegstelsel. Schattingen zijn dat 14 miljard jaren geleden uit een oerexplosie – oerknal is een onjuist woord; er was en is niets te horen in het luchtledige, denk ik – ‘onze’ tijd en ruimte zijn ontstaan; uit een exploderend zwart gat, waar tijd bijna oneindig traag was en ruimte miniem. Twee stoffen, -vooral- waterstof  en in mindere mate helium, waren in het begin overheersend aanwezig. Inmiddels weten we dat andere stoffen, door toevallige mutaties, successievelijk zijn ontstaan en sinds Einstein weten we dat stof en energie uitwisselbaar zijn. Door continue en toevallige mutaties is uiteindelijk de grote verscheidenheid, die we nu kennen, ontstaan; uit stoffelijke elementen in een schier oneindig lang proces, waarin toevallige mutaties de aanvang waren voor complexere biologische vormen.

De aarde daar weer in, is volgens schattingen zo’n 4,5 miljard jaren oud en het ontstaan van de mens beslaat daarin miljoenen jaren. Van een in het begin niet tot sluimerend gevoel van zich bewust zijn tot een bewust idee van zijn en een bewust idee van de omringende wereld; van het feit dat men als wezen bestaat. Binnen die ondenkbaar grote tijdsspanne beslaat onze geschreven geschiedenis een paar duizend jaar en de aanloop naar cruciale kennis over de fysica beslaat nog maar enkele honderden jaren. De mens, in kosmische termen piepjong, is dus na een hele lange tijd en veel toevallige mutaties uiteindelijk ontstaan uit sterrenstof, die het wezenlijke onderdeel vormt voor ons bewuste zijn; niet voor bewust zijn. Dat impliceert een plan en mogelijk een zin. Er was dus -hoogstwaarschijnlijk en toevallig- een enorme explosie, die uiteindelijk leidde tot wat we nu zijn: de mens die zich bewust is van z’n bestaan in een oneindig groot alles omvattend heelal. Er was geen  plan, er was geen -intelligent- ontwerp. Er was geen plan voor het ontstaan van biologische wezens die zich bewust zouden zijn van hun bestaan, laat staan dat er sprake was van ethiek.

Het feit dat we bestaan en ons daar ook bewust van zijn, daar een idee van en over hebben, houdt in dat we, naast die puur fysieke elementen ook niet-fysieke elementen in ons dragen waarop de natuurwetten geen vat hebben: ideeën zijn niet stoffelijk; ze nemen immers geen ruimte in.

We hebben dus ideeën die alleen kunnen ontstaan als gevolg van ons zijn en ons inmiddels complexe brein. Ideeën kunnen los staan van het individu: ideeën kunnen een eigen ‘leven’ gaan leiden. Er is een ideeën wereld, die los kan staan en staat van het individu. Maar weer niet van individuen; gedachten en ideeën moeten uiteindelijk ‘gedragen’ worden door stoffelijke -biologische- wezens. Die niet-fysieke wereld, die gebaseerd is op ideeën, manifesteert zich in de fysieke wereld op het moment dat we de ideeën omzetten in concrete daden. Die daden zullen in eerste instantie gericht zijn geweest op puur overleven en totaal vrij van waarden zijn  geweest. In oorsprong zal de drang tot overleven zo manifest zijn geweest dat ideeën alleen betrekking hadden op de zoektocht naar voedsel. Ethiek speelde geen rol, net zoals dieren doden om te (vr)eten doodde de mens om te overleven.

Het feit dat we op basis van ons fysieke bestaan, dat in beginsel geen ethiek kent, ideeën kunnen hebben impliceert dat de ideeën in beginsel -nog- vrij waren van waarden. Pas toen de bewuste mens empathie voelde ontstond de drang handelingen te beoordelen.

De mens is in beginsel, zoals alles in de natuur, ethisch neutraal. Net zo ‘natuurlijk’ als planten en dieren, die op zich ook geen goede of kwade elementen in zich dragen. Pas het feit dat we het denken over ons bestaan direct verbinden met ons bestaan, ons leven bezien in relatie tot onze omgeving, ontstaat de notie van moraal, het onderscheid tussen goed en kwaad. Het is waarschijnlijk een voorwaarde om te overleven, dat men zich in kan leven; empathisch vermogen heeft. Empathie is de basis voor begrip, voor samenwerking, maar evenzo voor tegenwerking. Dus ook voor oordelen over goede- en kwade handelingen. Pas op het moment dat we ons bewust zijn van ons bestaan en van ons handelen daarin en het feit dat we ons bewust zijn dat ons handelen consequenties kan hebben die ten voordele kunnen strekken, maar ook nadelig kunnen is de moraal en inherent de leer daarover ontstaan.

Het is een in eerste instantie praktische oplossing. De oorsprong van ethiek en moraal ligt in het feit dat we ons bewust werden van ons zijn. Bewust van het feit dat handelingen -ernstige- gevolgen kunnen hebben voor ons -voort-bestaan heeft ons er toe gebracht te kiezen voor en het handhaven van, ongeschreven en geschreven regels of normen. Normen die het onderscheid tussen goed en kwaad duidelijk -objectief- markeren en in de loop van de tijd tot -culturele- waarden hebben geleid.

Dat is de vrijheid die, en het grootste goed dat, we als mens hebben: ons vrijwillig onderwerpen aan normen, vormt uiteindelijk het meest wezenlijke deel van ons -mens-zijn. Dit is mogelijk ook de aanzet voor wezenlijke zingeving in een wereld die op zich geen zin in zich draagt; een zin die wij in ieder geval niet kunnen kennen. De mens zelf kan het leven zin geven door begrip van het unieke karakter van ons bestaan, om te zetten in het aanwenden van alle redelijke middelen om een aards ‘paradijs’ te creëren. Door te ‘geloven’ in een zinvol leven voor de dood. Dan worden wij uiteindelijk zelf ‘de goden’.

Het is overigens opmerkelijk dat religies, die kosmisch gezien nog maar net bestaan, claimen de bron te zijn van het ethisch besef; dat besef dat n.b. inherent is aan ‘de mens’.

WT

Scroll to Top